Deze ochtend moeten we opstaan om 8u omdat Tum ons met een vriend van hem, Hung, komt halen om naar zijn huis op het platteland te gaan. Om 8:25 gaat Damien David halen, die zich ook al aan het klaarmaken is. Om 8:35 staan we beneden aan de poort en wachten we 5 minuutjes. Tum komt eraan en hij heeft een helm bij voor elk van ons. Op de snelweg is het blijkbaar beter een helm te dragen. Het huis van Tum is zowat 20km verwijderd van Ha Noi. Toch pendelt Tum niet elke dag zoals wij het gewoon zijn. Hij heeft een kot op een km van de universiteit.
We komen vast te zitten in een gigantische file op de snelweg. Overal zijn veel auto’s met daartussen moeizaam slalommende brommertjes. Af en toe moet Tum op de zijkant van de weg rijden, waar veel zand ligt. Damien moet soms zelfs afstappen omdat het brommertje niet uit de kuilen geraakt. Een oudere vrouw heeft ook veel moeite en elke keer een bult is of een kuil moeten mensen afstappen van hun brommertje om haar te helpen duwen. Het blijkt allemaal te zijn omdat ze stukken van de asfalt aan het hergieten zijn, maar dan wel op zijn Viets: De helft van de straat, wat logisch is, maar in stukken van 10m lang elke keer. Het lijkt wel dat ze willen uitsparen of zoiets.
Dan komen we in het dorp van Tum aan, waar blijkbaar ook Hung woont. Het dorp is enorm druk bevolkt. Er wonen hier 10000 mensen en alle huizen gaan gewoon in elkaar over. Het lijkt wel of ze allemaal boven en in elkaar gebouwd zijn.
De mensen kijken ons hier nog raarder aan dan ooit tevoren. Ze zijn enerzijds heel nieuwsgierig en anderzijds blij iets spannends te zien, dat uit het ordinaire valt. Dat gaat gepaard met enorm veel gegiechel en de typische enthousiaste “Hello”.
Tum brengt ons meteen naar zijn huis waar zijn moeder ons enthousiast begroet. We gaan onmiddellijk zitten op de harde houten zetels van de woonkamer (nadat we onze sandalen hebben uitgetrokken of course) en drinken zeer sterke, bittere en lekkere Vietnamese thee uit een zeer compact luchtledig getrokken zakje. Hiermee krijgen we verse papaya uit de tuin te eten, wat buitengewoon heerlijk is. We zien bij het rondkijken dat er weinig meubels zijn. Een bureautje is in een hoek onde de zeer steile trap gezet waarboven posters van Britney Spears en Madonna hangen, een buffetkast met haast niets in staat naast de lage salontafel, de bovenverdieping heeft geen muur om af te sluiten van de rest, dus is alles 1 grote, open ruimte. Hung kan helaas moeilijk onze conversaties volgen. Het duurt een tijdje eer dat Tum erbij komt zitten en we doen ons best iets constructiefs te vertellen aan Hung, maar tevergeefs.
Met Tum gaan de gesprekken over de cultuurverschillen, zoals gewoonlijk. We komen te weten dat een inschrijving van 1 jaar op de univ voor hen 2000000 dong kost. Dat is 87 euro of zoiets. Hij is natuurlijk verbaasd als we hem zeggen dat het bij ons 750 euro kost. De jongsten krijgen nu ook een soort beurs van de regering waarmee ze hun studies kunnen betalen (en hun kot). Eens de student werk heeft moet hij het terugbetalen (met kleine interest).
Hung wilt ook zijn huis aan ons tonen. Dus gaan we even op weg, zo’n 500 m verder. De wirwar van straatjes zitten vol verrassingen. De hond is hier hevig aanwezig. We zien er zelfs twee paren, weliswaar op een totaal andere manier dan wij gewoon zijn (door precies met hun achterwerk tegen elkaar te leunen of zoiets) Af en toe zien we ook katten. Deze zijn hier enorm mager en klein. Zo klein dat sommige van hen zelfs bang zijn van muizen, die er niet aan twijfelen om hun vijand venijnig te bijten. De katten zijn dan ook doodsbang van de ratten. Kinderen lopen her en der in de straten en lachen zich kriek als David een foto van hen wilt nemen. Tum vertelt ons dat ze dat heel graag hebben, dus David neemt dit vrolijke gelach gretig op. Het is zo leuk.
We zien nu ook hier en daar de bomen die we hebben leren associëren met de lekkere vruchtensappen. Hier draagt ook iedereen de typische conische hoed (enkel de vrouwen natuurlijk) Het huis van Hung ligt aan de rand van de stad en is beduidend groter dan dat van Tum. Terwijl het huis van Tum een woonkamer, een slaapkamer op de eerste verdieping en nog een andere boven de kleine keuken, telt dit huis slechts een enkele verdieping, waarbij alle kamers naast elkaar staan. Ook hier zijn de stevige houten zetels te vinden. Op de muur hangen ook religieuze opschriften en gezegden vanwaar zelfs Hung en Tum niet weten wat ze exact betekenen. Een van de gezegden zegt zoiets als “De zoon is respectvol tot zijn vader en dat is beter dan 10000 beenderen”. Voor eigen interpretatie vatbaar… We zien hier enorm veel kinderen rondlopen. Deze komen spelen bij ons, om zich te laten zien en horen. Momenteel hebben ze hevig plezier met een stuk plakband dat ze voor een van de jongetjes zijn ogen plakken zodat deze komiek achter de anderen aanloopt.
Hung geeft ons Che’s, wat wij op taarten zetten in Belgie. Dat is een vrucht in stervorm dat heel duur is bij ons, maar bijzonder lekker is. Deze hier zijn nog niet helemaal rijp en zijn nog wat bitter en krokant. Zij eten het hier blijkbaar met wat zout, maar dat willen we niet meteen. De moeder van Hung komt even nieuwsgierig kijken wie we zijn en wat we doen, maar ze is duidelijk veel meer moe en uitgeleefd dan Tum’s moeder. Waar Tum’s moeder ons met een hartelijke glimlach ontvieng, kijkt deze een beetje zuur. Tum stelt voor om eventjes een wandeling te maken in het dorp, maar de batterijen van Davids fototoestel zijn plat, dus moeten we even langs bij Tum om nieuwe te gaan halen.
Daar aangekomen blijkt het echter tijd te zijn voor het middagmaal. We mogen op een soort mat van bamboe gaan zitten en al gauw wordt een hele kip gebracht (in stukken gesneden), een lekker gerecht met stukjes rund, mi-pho en een potje met saus. Het is natuurlijk echt overkill tot en met. We hadden wel verwacht dat er veel te veel zou aangeboden worden. Ook komt de vader aan met een ton Javel (van 6l of zoiets) dat half gevuld is met koel bier. We worden een beetje uitgelachen omdat we proberen met onze stokjes de beentjes van de kip te krijgen, alsook het vel. Uiteindelijk zeggen ze ons dat we maar met onze handen moeten eten als het te moeilijk wordt. De dipsausjes zijn echt heerlijk. We krijgen elk ook een klein kommetje dat dient om niet te morsen op de vloer. Het is heel gezellig hier met zijn zessen rond een plateau op de vloer te zitten. Elke keer we drinken wordt ook het glas geheven en wordt er geklonken. Damien is het eerst compleet vol en hij heeft moeite dat zo beleefd mogelijk duidelijk te maken. David, een poosje later neemt het efficiënter aan met “Toy”, wat gewoon “genoeg” betekent. Hierop wordt gelachen. Het is blijkbaar helemaal niet onbeleefd om het zo te doen. Goed om te weten! Er lopen een heleboel gesprekken los in het Viets en Tum heeft geen tijd om het allemaal te vertalen. Hij doet zelfs geen moeite… David vraagt toch even wat er daar aan de muur hangt. Het ziet er uit als een soort contract, misschien het huwelijkscontract? Welneen, net blijkt een soort diploma te zijn van verdienste aan de staat. De vader van Tum is ex-strijder. Hij heeft meegevochten in de oorlog tegen China van 1979. Geen wonder dat het leven in Viet Nam tijdens de eighties zo moeilijk was. Er zijn ook zoveel Viets geëmigreerd. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de Vietnamees die in België een restaurant heeft geopend in 1992 waar ik regelmatig ga eten met mijn familie. Ook had het buurmeisje van David, Giang, ons vertelt dat de meisjes van de eighties veel beter met geld kunnen omspringen dan de nineties-generatie. Deze laatsten zijn veel meer bedorven geweest en weten niet hoe hard het leven kan zijn. Dit tafereel is exact dezelfde als bij ons in de sixties, gevolgd door de gekke seventies.
Na het eten gaan we weer zitten op de massieven houten stoelen om thee te drinken. De moeder begint ondertussen aan de afwas. Na een tijdje moet de vader weer gaan werken en we blijven met zijn vieren achter. Hung valt in slaap omdat hij nog altijd niet echt bij de conversaties wordt betrokken, waarop Tum ons vraagt of we willen rusten, naar Vietnamese gewoonte. Als we zeggen dat het niet nodig is vraagt hij het nog eens. Uiteindelijk vraagt hij het 6 keer en dan geven we toch toe, gewoon omdat we niet meer weten wat anders te doen. Hij wijst ons een kamer waar we mogen gaan liggen op een bamboemat, net zoals deze in de woonkamer. Het is natuurlijk hard, maar we mogen toch een kussen onder ons hoofd brengen. Damien zet de wekker op een half uurtje, om toch nog iets aan de dag te hebben.
Wanneer we wakker worden van ons kort dutje (maar dat wonderlijk genoeg meer deugd doet dan men zou denken), blijkt dat de anderen totaal niet geslapen hebben, maar gedurende dat half uurtje gewoon wat gebabbeld hebben met Tums moeder.
Nu gaan we weer op weg om het dorpje te bezoeken. Zo toont tum ons de religieuze tempel en de marktplaats. We zien kinderen schijnbaar spelen in een diepe modderpoel, maar het blijkt dat ze aan het vissen zijn. Er is een bepaalde soort vis dat in de modder leeft. Het is heel speciaal voor ons om deze jongeren tot hun middel in de modder te zien bewegen om af en toe in de modder te duiken met hun armen. Hoe ze het doen is ons een raadsel. Tum gaat ook even aan een bos lianen zwengelen van een boom, ons vertellende dat dit het typische soort spelletjes van het dorp is.
De tempel zelf is rijk gedecoreerd met de typische felle kleuren, allerlei draken en schildpadden. Ook zijn er overal Chinese tekens te vinden. We krijgen meer en meer de indruk dat de Vietnamese cultuur een afkooksel is van de Chinese grote broer.
Een beetje verder is men druk een nieuw huis aan het bouwen en dan komen we op de marktplaats. Deze is volledig verlaten (blijkbaar is deze het actiefst om 5u ’s ochtends) op een slapende man en drie spelende jongeren na. Het is hier nu vuil, vol vliegen en het ziet er redelijk bouwvallig uit. Het is moeilijk zich in te beelden dat het hier ’s ochtends stikt van het volk. In de struiken zijn waarschijnlijk slangen en Tum is er duidelijk bang van. Wanneer we te dichtbij komen wenkt hij ons snel om weg te gaan.
Het voorstel van hem is nu om een Pagode te gaan bezoeken. Blijkbaar is er eentje op 7km afstand op een berg. We stemmen toe en keren dus terug naar Tums huis om de brommer op te halen. Een kort bezoekje in de wc maakt ons duidelijk dat we niet in de jungle hoeven te gaan om gigantische spinnen te vinden.
Op de weg naar de berg zien we weer talrijke bijzonderheden, zoals een vrouw die gewoon kledij verkoopt langs de kant van de weg. Ze heeft hiervoor een hanger op wieltjes mee. Er zijn ook veel boeren die hun fruit of groenten proberen te verkopen.
Aangekomen aan de basis van de berg komt een vrouw meteen op ons af en wijst ons een goede parkeerplaats voor de brommers, waar ze achter slot en grendel kan zetten. Ze verkoopt ons ook elk een flesje water (waarvoor Tum allemaal absoluut wil betalen) en we gaan op weg richting berg. Van op een afstandje volgt ze ons. We zien hier twee jongetjes vissen in het meertje naast de weg, waarin ook een soort tempeltje staat. Een van de jongetjes vangt zelfs een klein visje en is zo trots en blij dat het moeilijk is dit tafereel vast te leggen op foto.
We komen aan de berg en we beginnen aan de klim. Deze berg is op zich heel speciaal omdat hij zo uitsteekt in het landschap. Alles is hier zo vlak en het lijkt wel of iemand hier toevallig ‘en passant’ een gigantische steen van enkele miljoenen ton heeft verloren. De vegetatie op deze rotsformatie is ook heel dichtbegroeid. Na veel trapjes, gepuf, gezweet en gehijg (het is iets rond de 30 graden) komen we aan het begin van een netwerk van bidplaatsen. Meestal gaat het om een graf met Chinese inscripties die een paar honderden jaren oud zijn. Daarvoor staat dan ook een bak met wierrookstokjes, tot de rand gevuld. Overal zijn ook kinderen die allerlei decoratieve prulletjes verkopen. Voor ons ziet het er allemaal gewoon kitsch uit. Tum vindt het zelf ook niet zo mooi. Ondertussen heeft de vrouw ons ingehaald en ze volgt ons van heel dichtbij. Af en toe geeft ze uitleg over de graven, waar zeer heilige plaatsen zijn enz. Dit is helemaal nieuw voor Tum, en hij weet niet goed wat doen. Hij is het niet gewoon een gids te hebben die alles voor hem uitlegt als hij iets bezoekt. Hij is zodanig in de war dat hij af en toe dan buigt in bidhouding terwijl hij eigenlijk helemaal niet religieus is ingesteld. Het is echter snel duidelijk dat hij een zekere vorm van bijgelovigheid in zich heeft. We zien hier ook prachtige decoraties zoals draken die rechtstreeks uit het steen gehouwen zijn. De rotsen zijn hier heel scherp en steil en we klimmen ook tot de top ervan, voor enkele foto’s. Heel voorzichtig met onze sandaaltjes komen we terug naar beneden waar de gids ons opwacht. We gaan dan richting grot uit. Blijkbaar is in deze berg een mooie rots te zien. We volgen de gids op een dun padje langs de rand van de berg en stappen voorbij een heleboel kraampjes die drank verkopen. Er komen ook een aantal Vietnamese toeristen naar beneden. Dit is dus een toeristische plek, maar gelukkig alleen voor Vietse, waarschijnlijk omdat het zo afgelegen is.
Aan de ingang van de grot is een wachter die ons een zaklamp huurt. We dalen af in de pikdonkere grot waar enkele treden grof zijn uitgehouwen. Deze grot is nog vochtig, niet zoals de toeristisch uitgebate broeder in het Cat Ba-eiland. We moeten goed opletten want het is heel gemakkelijk uit te glijden en de grot is ongezond diep (ongezond als je er in valt ten minste). De gids vertelt ons dat dit de “love cave” is. Ze wijst naar een stalactiet en eronder een verse stalactiet en zegt ons dat een deel ervan een jongetjeshart is. Als we hierover wrijven met ons rechterhand, zullen we snel een vriendin hebben. Nadat we allemaal ons hand er eens op gezet hebben, gaan we verder naar beneden. Daar zegt ze ons dat die rode vlekken op het plafond dat we alleen kunnen zien omdat zij ernaar wijst met de zaklamp komt van het vele bloed dat de krijgers van duizenden jaren geleden hebben verloren. Onwillekeurig gaat er een gedachte in ons op dat men toch van alles kan vertellen over roest (of wat erop lijkt). Nog een beetje meer naar beneden toont ze ons een schuine muur boordevol met omgevallen stalactieten waarin duidelijk een slang te zien is. Deze is de slang die zich verstopt in de rijstoogst. Als je deze aanraakt, zal je veilig zijn en ga je eten hebben op jouw bord. Nog een beetje verder toont ze ons een draak (weer een bizar uitsteeksel van het kalkgesteente) die onze familie goed geluk moet brengen (als je er aan komt). David probeert hier allemaal foto’s van te maken, maar uiteraard tevergeefs. Bovendien zijn alle rotsen zowat roetzwart gemaakt van de vele wierrookstokjes die bij elk imaginair dier aan het branden zijn. Je kan namelijk stokjes kopen van de gids om extra veel kans te krijgen je wensen waar te maken. Zoals David zo goed verwoordt: “Bijgelovigheid gecombineerd met een goede neus voor zaken…”
Nog verder is een kikker die gegarandeerd een geslaagd jaar op de unif zal opleveren. Ze wijst op een opening in het plafond waar het zonlicht vrolijk binnensijpelt, een hele botterham afdrommend, en vervolgens wijst ze naar een pikkedonker gat aan de overkant waarover ze nog meer vertelt. Tum vat het ons allemaal bondig samen met: “This is heaven and this is hell…” Tussen de hel en de hemel staat een grafsteen in de muur gekerfd waarop de namen van 3000 soldaten staan die voor Viet Nam gesneuveld zijn duizend jaar geleden.
Gek genoeg blijken we verder te gaan, rechtstreeks naar de hel toe. Nu komt dat natuurlijk heel gek over. Hier hebben ze een verhoogje gebouwd uit baksteen waar een soort schaal staat. Hier verkoopt de gids gouden hartjes van fake bladgoud en maakt ons duidelijk dat als we zulk een hartje geven aan onze vriendin (degene die we net vergaard hebben door ons hand op het jongenshart te plaatsen) ze zeker met ons zal trouwen. Even is Tum helemaal in de war en denkt hij dat hij het echt moet doen. Blijkbaar heeft de gids heel overtuigend gesproken. Maar als Tum zich naar Damien keert met zo’n kaartje in zijn hand zegt Damien eenvoudigweg: “We don’t have girlfriend, so we don’t need to marry her…” Dat brengt hem blijkbaar weer in onwe wereld en hij geeft gewoon de kaartjes terug, alsook de wierrookstokjes dat de de aandachtige gids ook al in zijn hand had geschoven.
De gids stapt dan maar wat verder de hel in. Daar hangt een adelaar die het massagraf van de vele soldaten die in deze grot zijn gesneuveld bewaakt. (de adelaar is weer een rare kalksteenformatie) Het is natuurlijk ontzettend symbolisch allemaal en het klopt als een bus: Stap een pikdonkere grot binnen, glij bijna uit en verlies je leven in de donkere diepten om een vriendin te vinden. Stap gewoon de hemel voorbij rechtstreeks de hel in, trouw met je vriendin en daar is het massagraf voor jou. Misschien zijn de symbolen toch allemaal onafhankelijk en niet sequentieel in acht te nemen…
Enfin, het massagraf zelf is een betonnen bak met een klein kijkgaatje in. De gids vertelt ons dat je zelfs de beenderen kan zien liggen van de duizenden soldaten. Een blikje erin toont ons inderdaad beenderen, in stukjes van elkaar. Maar wat we ook zin is bijzonder veel vuiligheid. Wat er mij aan doet denken even te moeten vermelden dat de hele grot in het algemeen bezaaid is met papiertjes van allerlei snacks en andere vuiligheid. Op een of andere manier slagen de Viets er in om ook deze grot volledig naar de vaantjes te helpen. Het is echt een slechte attitude omdat ze niet weten wat ze hier in handen hebben.
Nu hebben we blijkbaar alles van de grot gezien en we vinden snel onze weg terug naar buiten. Daar rusten we even uit bij zo’n kraampje en zien een aantal jonge Vietse toeristen voorbijlopen. Ze vragen waarvan we komen en als we enthousiast “Bi” zeggen giegechelen de meisjes terwijl ze iets zeggen. Tum vertaalt het ons omdat hij het zo grappig vindt: “Ah, knapperd, heb je geen zin om met mij te trouwen?”
Na genoeg uitgerust te hebben beginnen we aan de afdaling en kruisen weer een heleboel jongeren die ook elke keer even overleggen alvorens te vragen: “Where are you from?” Damien die ondertussen al goed geoefend is in uitspraak van de Vietnamese ‘B’ zegt iets te enthousiast “BI!”, wat algemene hilariteit veroorzaakt terwijl de giechelende meisjes die klemtoon zo grappig herhalen.
Eens beneden verlaat de gids ons en Damien vraagt aan Tum hoeveel hij denkt dat het gaat kosten. Hij heeft er echter geen idee van, en Damien belooft wat ook de prijs is dat we kunnen afspreken met de gids, hij ervoor zal betalen. We wandelen in het dorpje rond de berg en David neemt nog wat foto’s van de boerderijtjes. We komen weer aan het meertje en deze keer zien we ook een tempel waaruit getrommel komt. We zoeken hiervan de ingang, die we redelijk snel vinden om een heleboel Vietse toeristen te zien met een gids. Tum luistert af en weet ons te vertellen dat dit een 700 jaar oude tempel is die hier gezet is ter ere van de 18 helden van Viet Nam. Deze zijn op de zijkant van de tempel uitgebeeld. Ze zien eruit als gezellige dikkertjes en totaal niet als de spierbundels die we ons bij het woord ‘held’ voorstellen.
Binnenin de tempel zijn weer veel altaren geplaatst en ze zien er vergelijkbaar uit als diegenen in de Literature Temple van Ha Noi. In de zijtempel horen we weer het getrommel en Damien wil dit absoluut gaan zien. Hier zijn gigantische beelden van de helden te zien. Deze keer dragen ze Samoerai-harnas en zwaaien ze met een vreemd uitziend zwaard. Het grappige is dat hun buikje ook verwerkt is in de harnassen. Ze zien er uit als bewapende Bouddha’s. (zonder de langer oorlellen)
Nu zien we eindelijk de bron van het getrommel: een klein, oud vrouwtje dat terwijl ze luidop een gebed leest uit een boek, met haar rechterhand met een soort verfborstel op een holle houten bal klopt. Het is allemaal ritmisch juist en het gebed heeft iets aanstekelijks. Maar nu hebben we alles gezien dus gaan we weer naar buiten.
Buiten wil vraagt Tum ons of we wat willen drinken. David zegt heel humoristisch “Maybe another time”, maar Tum ziet hierin geen grap. Hij ziet het zelfs gewoon als een “neen”. Als Damien toch vraagt of hij het wil en hij gewoon ja zegt gaan we aan tafel zitten. We bestellen twee Ha Noi beers en vier glazen. Tijdens de degustatie raakt Hung in gesprek met de verkoopster die uitlegt dat we eigenlijk het ondergrondse meer gemist hebben, wat redelijk de moeite waard is. We zijn te moe en dus gaan we naar het brommertje toe nadat Tum weeral betaalt. (misschien hebben ze daarom ook slechts 2 biertjes besteld)
We halen de brommertjes op en de gids vraagt blijkbaar 50000 dong. Dat vindt Tum veel te veel en hij weet echt niet wat doen. Damien komt er echter tussen en betaalt gewoon de 50000 dong. Tum is behoorlijk verbaasd en Damien doet zijn uiterste best om uit te leggen dat 50000 dong voor een gids echt niet veel is, vooral als je vergelijkt met de 30 euro die men gemakkelijk betaalt in Europa. Dat leidt ons gesprek op de brommer naar de gigantische prijsverschillen tussen Europa en Viet Nam. Eindelijk begint Tum te begrijpen waarom we hier in Viet Nam zo rijk lijken, terwijl we eigenlijk heel gewoon leven in Belgie. Dit wordt nog eens versterkt als hij ons vertelt dat een huis bouwen 12000 euro kost en hij zijn ogen verbaasd open trekt als hij te weten komt dat hetzelfde bij ons gemakkelijk 300000 euro kost (op 10 km van Brussel he) Omdat het zo hoog is moeten we hem de waarde ervan laten inschatten door hem te zeggen dat je hier in Viet Nam daarmee een stuk of 500 brommertjes kan kopen, waardoor ineens zijn dong valt en zijn verbazing ten top komt.
We spreken hier nog wat rustig verder over op het dak van zijn huis terwijl een we een grote pomelo uit de tuin degusteren.
Dan is het tijd om te vertrekken en dat betekent dat we ook onze cadeautjes van gisteren boven halen. We hebben de hele dag stiekem overlegd hoe we de twee biertjes en de doos chocolade zouden verdelen en uiteindelijk geven we de doos chocolade aan Tums moeder. Hierbij gaat Damien voor haar staan, buigt eerbiedig terwijl hij de chocolade met twee handen aan haar aanbiedt. Ondertussen zegt hij: “It was an honour for us to be invited at your house and therefore we want to present you this typical Belgian speciality” Tum vertaalt het even waarop de moeder luid en enthousiast zegt dat het helemaal niet nodig was en dat ze ons heel dankbaar is enz. De honour is duidelijk voor haar geweest in hun denkwijze. Daarna brengt Damien ook een fles Chimey naar de vader die prompt opstaat uit zijn harde stoel en ook vriendelijk bedankt met een aantal hoofdbuigingen. David neemt de fles bruine Leffe en gaat op Hung af om het hem te geven uitleggend dat we niet wisten dat we ook bij hem uitgenodigd zouden worden. Onze bedoeling was de twee flessen aan Tums vader te geven, maar kom. Misschien vragen sommigen van onze lezers zich af waarom we zo weinig geven. Wel, het ziet er niet goed uit als we hier ineens iets brengen dat een maandloon waard is. Deze goederen, goed voor 200000 dong, zijn al een tiende van het inschrijvingsgeld voor Tums unif en dus serieus overkill already… We houden steeds de waarschuwing van Giang in ons achterhoofd dat we niet teveel mogen geven aan de armen, omdat hen dat volledig overhoop zou brengen.
We groeten hen nog vriendelijk terwijl ze ons uitwaaien en zeggen dat we terug mogen komen wanneer we ook maar willen en daar zijn we weer op de autostrade naar Ha Noi. Op de weg vertelt Damien aan Tum wat we gezien hebben in Ha Long over al die prostitutie en de toeristen enz, goed benadrukkend dat dit allemaal onethisch en onrespectvol is tov de vrouw, wat hij helemaal beaamt. Hij lijkt verrast, wat ergens toch een opluchting is (alleen hopen dat hij verrast is over de prostitutie en niet over Damien’s visie natuurlijk) Het is ook de eerste keer dat Damien een uitgesproken mening uit een Viet krijgt, wat op zich merkwaardig is.
Ze zetten ons af aan de Student home en na een kort afscheid gaan we even uitrusten en napraten in Davids kamer.
Ondertussen krijgen we ineens een sms-sje van Lan op Damien’s gsm. We verstaan er niets van omdat het vooral Viets is. We zoeken dus een tiental minuutjes op in het woordenboek wat het allemaal zou kunnen betekenen. Dit is op zich een heel moeilijke taak aangezien elk woord een tiental varianten heeft volgens de accenten die erop staan en dat ze blijkbaar geen accenten kunnen zetten op hun gsm. Alles is gewoon in blokletters geschreven. Men moet geen wiskundig genie zijn of expert in statistiek om door te hebben dat per zin van 10 woorden dit heeeeeel veel mogelijkheden open laat. We raden dus dat ze vraagt of we Viet Nam mooi vinden en iets van dat we nog maar een klein deeltje gezien hebben. We antwoorden er dus op dat we Viet Nam prachtig is, we heel veel plezier hebben en zeker nog meer van Viet Nam willen zien. Daarop krijgen we weer een andere sms-sje, nog langer dan het vorige. Dit is echt een ramp. We gissen er op los en terwijl we aan het typen zijn krijgen we een rdv van haar voor een voor ons totaal onbekende straat om 10u. Daarop antwoorden we dat we om 9u op het politiekantoor moeten zijn, waarop ze in het Engels bevestigt dat ze er zal zijn. Ondertussen is Giang terug van haar trip naar Haiphong en we volgen haar even op de gang omdat ze gehaast is. De taxi is nog aan het wachten en al lopend vertaalt ze ons de sms-en: “Ik zal jullie missen als jullie niet meer in Viet Nam zitten” En het tweede sms-sje: “Wanneer kom je nog terug naar Viet Nam?” Ahaaaa, dat is wat ze zegt… Daarop antwoorden we dus dat we haar ook zullen missen, maar dat ze niet moet treuren omdat we hier nog een klein maandje zijn. Ok, ik geef toe, niet met zoveel woorden, maar we hopen dat the message duidelijk is.
Een uurtje later krijgen we toch honger en omdat David wat rijst wil zoals op de HUT gaan we weer naar een straatrestaurantje dicht bij de student home. Daar zijn ze weer gigantisch blij ons nog eens te zien en nadat we zitten komt de glimlachende serveuse ons iets zeggen over rijstteelt (volgens Damien’s woordenboek), wat natuurlijk onbegrijpelijk is.
Daarna nog wat bloggen en hop in bed, want morgen vergezelt Lan ons naar het politiebureau om onze fietsen op te halen…





































































































